Tien liefdesgedichten
van Simon Vestdijk


andere gedichten van S. Vestdijk.


IJstocht

Door albast blinkt de zon. De velden schijnen
Ons tegen met denzelfden gelen glans,
Die ook op ’t hardblauw vlak aan den balans
Der schaatsen ontschampt in bestoven lijnen.

Het kruis der armen, ’t overstag der voeten,
De losse haren onder mutsenvacht:
Alles biedt den weerstand tegen ’t ontmoeten,
Dat wij zoo lang vermeden, overmacht,

Een korten tijd maar op de noordervijvers
Met ’t gele zuiderlicht, waarlangs het steken
Der ijzersneden is als vlijt’ge drijvers
Naar een verliefdheid die niet door wil breken.


Het amortje

Drie, vier jaar oud was hij, toen hij met ons
Over de natte buitenwegen plaste:
Het vogeltje, wiens fijne jonge dons
Zoo wondergoed bij mijn verliefdheid paste.

En toen wij onder warme zon droog zaten,
Ik rookend, hij tusschen ons in, zij aan ’t breien,
Sprong hij plots op haar schoot en uitgelaten
Riep hij hardop: ‘ Nu ga k met jou vrijen!’

’k Had haar wel graag aan hem overgelaten,
Al was mijn liefde even onverbruikt
Toen nog als ’t ons omspelend Pinksterwindje.

’t Is nooit gebeurd; toch zie ’k hen door de straten
Wand’len samen, en ’k voel hoe hj ontluikt
Tot minnaar, – of verinnigt tot haar kindje.


Liefdesnacht

Wanhopige geur die zoet als van sandelhout
Droomerig lauw de lippen overspeelt:
Waar vind ik ’t koel gestolde zinnebeeld
Dat in uw stroomen zich nog bovenhoudt?

De moeder bracht mij ver op reis, want nu
Verdwijn ik in vergankelijke tropen,
In teed’ren middengordel, zinloos luw...
Daar komt een zin de polen afgeslopen:

Verdringende dien geur van sandelhout
Slaat ’n ijskorst splitsend om ons neer;
Onze adem wordt daar in dien hoek vreemd koud
Bevroren tot een wieg, een witten speelgoedbeer.


Herinnering

Grijs was de stoel, met blauwe en groene bloemen
Versierd, en barstend als een rijpe vijg.
Haar naam kan ik nog duid’lijk noemen,
Maar zij wordt duid’lijker, als ik haar naam verzwijg.

Wij waren angstig-snel, en wat zij gaf
Of nam, want ik ontving ternauwernood...)
Ging vlug voorbij, als een te lichte straf.
’k Weet nog verwonderd, dat ik nooit de deur afsloot.

’t Bleef hoogstens mooi als avontuur:
Vooral die vrees voor ’t brommend sousterrein
Vol braven, die, verkleefd aan onderhuur,
Toch in eroticis nooit te vertrouwen zijn.


Villanel

De minsten zullen minnaar zijn,
De armsten zullen macht vergaren
En gulzig drinken van den wijn

Onder een zoel ultramarijn.
Met bloesemwinden in hun haren
Zullen de minsten minnaar zijn

Als minstreel in den manenschijn –
Zij die te min voor vrouwen waren –
En gulzig drinken van den wijn.

Hun wellust, enkel minnepijn,
Werd niet verspild in liefdesparen:
De minsten zullen minnaar zijn,

Omdat zij voor den levenscijns
Zich ongeboren nog bewaren...
Want nu tot ’t drinken van de wijn

Den rijkeren de lust verdwijnt,
Geen lied meer slaat uit moede snaren,
Zullen de minsten minnaars zijn
En gulzig drinken van den wijn!


Kirke en Odysseus

Zij stonden samen aan de steile kust,
Betooverd en omtooverd na die nacht,
De zwijnen weer naar ’t schip teruggebracht,
Tot man herleid, en met ’n goed woord gesust.

Zij sprak: ‘ Opdat gij weer in de armen rust
Van haar die meer dan mij uw tooverkracht
Behoort, en die gij minder aarz’lend kust,
Daal af in Hades, waar ’t orakel wacht.’

De branding ruischte, en hij zag haar aan,
En wist: bij ’t liefdesspel, die nacht begaan,
Had zij een and’re naam hem hooren fluist’ren.

Zij straft en beloonde als een vrouw;
Zij brcht hem thuis, maar om zijn huw’lijkstrouw
Zou zij zijn weg tot ’t einde toe verduist’ren.


Madonna met de valken III

Dit is de wanhoop van ons dubbelwezen:
Dat de eerste kus de laatste is van die
Ontastb’re kussen die het lijf genezen
In geestlijk vuur van Wellust’s tyrannie.

Voor ware liefde moeten alle drie,
Verleden, heden, toekomst, vrienden wezen.
Zong ik vergeefs? Moet ik de barbarie
Van tanden achter lippen van u vreezen?

Ook ik was ridder, in de strijd bedreven,
En aller lijflijkheden boezemvriend,
Gewend van bloem naar schooner bloem te zweven.

Totdat ik, uw ontgloeide schoonheid ziend,
Mij in mijn lied verborg, waar milder brand
Zijn stralen richt naar de eeuw’ge overkant.


Terugblik

Nu ’k met haar voortleef, hunkerend naar zoen
En streeling, is zij wel mijn liefst bezit;
Maar ’k zou, nu ik niets beters weet dan dit,
Die eerste koelheid over willen doen,

Die morgenkoelte, die het moe verdriet
Nog niet als schaduw onder ’t zonlicht draagt,
Dien schemertijd, als men zich huiv’rend vraagt:
Is ’t nu al liefde? – Neen, nog niet...nog niet...


Kwijnende liefde

Het najaar, liefste, laat zijn lommerhoven
Maar langzaam bronzen, tegen wil en dank,
Om met dit uitstel van zijn zwaarste klank
Ons laat beraamde gaven voor te toov’ren.

Het bruinste blad ligt op de steenen bank.
Zet u daar niet: is hij ook warm van boven,
Van onder is ’t er kil als in de kloven
Die schaduw zaam’len in de wijnbergflank.

Het zonlicht doet de laatste hommels gonzen:
Een bruiloftslied, waarvan ’k de oorsprong ken,
En de bestemming, die ik blindlings nastaar.

Wie weet hoe hij beminnen moet in ’t najaar
Hij spreke; want zijn raad is goud waard, en,
Liefste, zijn liefde stellig mr dan de onze.


Souvenir

’k Heb haar peignoir nog hier, die, tweedehandsch,
Versleten, grofgebloemd, haast als een schort
Haar lijf omsloot. Ik lachte vaak, maar thans,
Thans streel ik hem tot hij van zijde wordt.

1) IJstocht - Kind van stad en land (1936)
2) Het Amortje - Kind van stad en land
3) Liefdesnacht - Vrouwendienst (1934)
4) Herinnering - Kind van stad en land
5) Villanel - Simplicia (1941)
6) Kirke en Odysseus - Gestelsche Liederen (1949)
7) Madonna met de Valken, sonnet III - Gestelsche Liederen
8) Terugblik - Vrouwendienst
9) Kwijnende liefde - Thanatos aan banden (1948)
10) Souvenir - Simplicia

Tekstbron: S. Vestdijk, Verzamelde gedichten, verzorgd en geannoteerd door Martin Hartkamp, Amsterdam - ’s-Gravenhage, 1987

Deze gedichten zijn gebundeld in een cahier:
Tien Liefdesgedichten. - S. Vestdijk; 20 p., isbn 90 75663 35 8,
7,50 euro
te bestellen bij Uitgeverij Mycena Vitilis.