Orpheus en Eurydice

Toen hem de steenen en de wilde dieren
Verveelden met hun schorre loftrompet,
Wou hij een vrouw met zijn gezang bestieren
En ruilde de natuur voor ’t bruiloftsbed.

Zijn nieuwe liefde won het van de lier en
Wanneer hij speelde, – zelden, – was het met
Die ijd’le acht’loosheid bij ’t feesten vieren,
Waar noob’ler kunst het bloeien wordt belet.

Het vonnis: dat hij deze vrouw moest missen,
Werd zeer verzacht, doordat hij uit de hel
Haar zonder om te kijken halen mocht.
Hij ging haar voor, als spelend op zijn tocht,
En keek tÚch om, om zich te vergewissen
Van haar bewond’ring voor zijn snarenspel.

S.Vestdijk