Uit Verzamelde gedichten S. VestdijkSimon Vestdijk 1964

 

 

 

Amsterdam

 

Gevoegd tot wallen steen, en krom verdronken,
Staan de kantoren in hun lang plantsoen.
Te lang, te smal... Op bruggeranden ronken
Tramwagens dwars door 't stoffig dubbelgroen.

 

Nog stroomt een rest van 't kruislingsch labyrinth
Waar men 't verleden moeizaam in kan halen
Als spook'ge achterstevens, vluchtend bint
Van schepen die de reeders lieten dwalen.

 

Maar in die duizeldun vertakte haven
Zijn zelfs de geesten zoo misteekend, dat
Het laatste toplicht, wezenloos hoogdravend,
Zweeft als een lichtreclame op de binnenstad.

 

 

 

 

Zie ook de Lezing die Arjan Peters hield in 2002 over de Amsterdamse gedichten van SV.